nieuws

Geen vingerafdruk, geen bestaansrecht

Deze week buigt de Raad van State zich over de tweede serie rechtszaken tegen de Paspoortwet. Steen des aanstoots is de verplichte opname van vingerafdrukken en gezichtsscan in identiteitsdocumenten en databases. Maar eigenlijk gaat het om veel meer.

“Vingerafdrukken zijn verplicht. U kunt niet weigeren! Wanneer u uw vingerafdrukken niet afgeeft wordt uw aanvraag niet in behandeling genomen!” Het zijn deze bestuurlijke mantra’s waar ministers, burgemeesters en ambtenaren op het gemeentehuis zich (on)gemakkelijk achter verstoppen. Over sancties wordt niet gesproken, want die dienen zich vanzelf aan. Wie geen biometrisch identiteitsbewijs met gezichtsscan of paspoort met vingerafdrukken bezit, mag niet meer meedoen in het maatschappelijk verkeer. Hij of zij kan geen andere baan nemen, geen uitkering aanvragen, niet naar de dokter of ziekenhuis enz.

Er dreigt een nieuwe categorie rechtelozen te ontstaan; geen illegalen of spookburgers, maar personen die ingeschreven staan in de GBA, belasting betalen en verzekeringsplichtig zijn

Met deze koppelverkoop “Geen vingerafdruk, geen rechten” hoef je als bestuurder of ambtenaar alleen maar even de andere kant op te kijken om de Paspoortwet uit te voeren en je persoonlijke verantwoordelijkheid te ontlopen, maar klopt deze handelswijze wel? Hebben personen zonder identiteitsbewijs ineens geen rechten? Dat lijkt al jaren lang de realiteit waar het om “illegale” migranten gaat, maar er dreigt een nieuwe categorie rechtelozen te ontstaan; geen illegalen of spookburgers, maar personen die ingeschreven staan in de Gemeentelijke Basis Administratie, belasting betalen en verzekeringsplichtig zijn. Naar schatting gaat het om enkele duizenden personen zonder identiteitsdocument. Als zij hun verplichtingen niet nakomen heeft de deurwaarder er geen enkele moeite mee deze personen te vinden en op hun bezittingen beslag te leggen maar zodra het over elementaire rechten gaat blijken ze ineens niet te bestaan, ook al kunnen zij hun identiteit op andere wijze aantonen.

Het is dit onderliggende dilemma waarover de Raad van State zich zou moeten uitspreken, hoewel het formeel gaat over de vraag of de opname van biometrische gegevens in het paspoort nu wel of geen schending van de privacy is. Is de opname van vingerafdrukken niet een veel te zwaar middel en is dat middel wel of niet in overeenstemming met het gestelde doel en daarmee in strijd met het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens? Het gestelde doel is officieel het voorkomen van documentfraude en het tegengaan van illegale grensoverschrijding en lookalike fraude.

Om met dat laatste te beginnen, het is nooit aangetoond dat lookalike fraude een groot probleem was of zelfs maar dreigde te worden. Na een WOB verzoek van de stichting Privacy First bleek dat in het afgelopen jaar slechts bij zeven paspoorten en drie identiteitskaarten een vorm van lookalike heeft plaatsgevonden. Dus alles behalve proportioneel. En daarbij ging het in twee gevallen om een eeneiige tweeling die per ongeluk hun documenten hadden verwisseld. Indrukwekkende cijfers uit de periode voor het biometrisch paspoort bestaan evenmin. En dat wist men al in 2000, zowel op het ministerie als bij de Koninklijke Marechaussee maar die feiten sloten niet aan bij hun ambities en zo werd indertijd aan Rudolf van Renesse van TNO de opdracht gegeven te onderzoeken of biometrie een geschikt middel is om lookalike fraude tegen te gaan. Het resultaat was een klap in het gezicht van de overijverige beleidsmakers. De biometrische technieken waren nog niet genoeg ontwikkeld en volkomen ongeschikt om lookalike fraude tegen te gaan! Het onderzoek kreeg in de wandelgangen al gauw de bijnaam ‘Het rapport dat niet mocht verschijnen’ en verdween in een la om daaruit niet meer te voorschijn te komen tot april 2011 tijdens een hoorzitting van de Tweede Kamer over het biometrisch paspoort. De vingerafdrukken in de paspoorten die vanaf 2009 waren uitgegeven waren met een foutmarge van 20 tot 25% zo slecht dat daarmee het gelijk van Van Renesse overvloedig was bewezen. Die hoorzitting was er eindelijk gekomen dankzij de aanhoudende protesten van burgers die niet akkoord gingen met de verplichte vingerafdrukken en naar de rechter zijn gestapt met als eindbestemming het Europese Hof van de Rechten van de Mens in Straatsburg. Dat het een lange weg zou worden was van begin af aan duidelijk want alle wegen die het recht biedt moeten eerst uitputtend worden behandeld.

Wegkijken is voor de Raad van State geen optie meer

Sinds 2010 voerden Privacy First en negentien Nederlandse burgers een civielrechtelijke strijd en namen¬†anderen, vaak met steun van burgerrechtenvereniging Vrijbit, de weg naar de bestuursrechter nadat hen een document zonder vingerafdrukken was geweigerd. In mei van dit jaar verklaarde de Hoge Raad de zaak van Privacy First niet-ontvankelijk en verwees daarbij naar de parallelle bestuursrechtelijke zaken. Daarmee werd de zaak op het bordje van de Raad van State gekieperd waar andere individuele zaken na vele niet-ontvankelijkheidsverklaringen inmiddels waren aanbeland. Na zoveel volharding van maatschappelijk betrokken burgers met zeer persoonlijke motieven is Straatsburg eindelijk in zicht en moet de Raad van State op al die individuele zaken ingaan om erger te voorkomen, wegkijken is geen “optie” meer. Het lijkt een politieke kwestie en de rechtsspraak bemoeit zich niet graag met politiek. Doch schijn bedriegt want in de kern van de zaak gaat het over elementaire rechten in een mensenrechtenverdrag dat ook Nederland heeft onderschreven. Mensen willen gewoon bestaan en verlangen dat hun rechten worden gerespecteerd. ‘To be or not to be, that is the question!’